Home
Tekst kamerstuk banksparen

30 432 Voorstel van wet van de leden Depla en Blok

houdende wijziging van de Wet

inkomstenbelasting 2001 en van enige andere

wetten inzake fiscale facilitering banksparen

ten behoeve van pensioenopbouw of aflossing

eigenwoningschuld

A GEWIJZIGD VOORSTEL VAN WET

5 juli 2007

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van

Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de

kosten te beperken door de concurrentie te bevorderen door de uitgaven

voor oudedagvoorzieningen via een lijfrentespaarrekening of lijfrentebeleggingsrecht

ook fiscaal aftrekbaar te maken en door het sparen voor

de aflossing van de eigenwoningschuld via een spaarrekening eigen

woning of een beleggingsrecht eigen woning fiscaal te faciliteren;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg

der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij

goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:

A.
Artikel 1.7, eerste lid, wordt vervangen door:

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan

onder
lijfrente:

a. een aanspraak volgens een overeenkomst van levensverzekering

(artikel 3.117) op vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen die eindigen

uiterlijk bij overlijden, welke aanspraak niet kan worden afgekocht,

vervreemd, prijsgegeven, of formeel of feitelijk tot voorwerp van

zekerheid kan dienen, anders dan op grond van artikel 3.126, eerste lid,

onderdeel d, onder 2°, of ten behoeve van uitstel van betaling op grond

van artikel 25, vijfde lid, Invorderingswet 1990, alsmede de met een

zodanige aanspraak verband houdende aanspraak op winstuitkeringen;

b. een aanspraak op het tegoed van een
lijfrentespaarrekening of op dewaarde van een lijfrentebeleggingsrecht (artikel 3.126a), welke aanspraak

niet kan worden afgekocht, vervreemd, prijsgegeven, of formeel of feitelijk

tot voorwerp van zekerheid kan dienen, anders dan op grond van artikel

3.126a, tweede lid, onderdeel c, onder 2°, of ten behoeve van uitstel van

betaling op grond van artikel 25, vijfde lid, Invorderingswet 1990, alsmede

Eerste Kamer der Staten-Generaal 1

Vergaderjaar 2006–2007

KST108938

ISSN 0921 - 7363

Sdu Uitgevers

’s-Gravenhage 2007
Eerste Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 30 432, A 1

de met een zodanige aanspraak verband houdende aanspraak op

winstuitkeringen.

Aa. In
artikel 3.110 wordt «en het voordeel uit kapitaalverzekering

eigen woning verminderd met» vervangen door: vermeerderd met het

voordeel uit kapitaalverzekering eigen woning, het voordeel uit spaarrekening

eigen woning en het voordeel uit beleggingsrecht eigen woning en

verminderd met.

Ab. Na artikel 3.116 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.116a Voordeel uit spaarrekening eigen woning of

beleggingsrecht eigen woning

1. Het voordeel uit spaarrekening eigen woning is het rendement dat op

het tijdstip van deblokkering is begrepen in het tegoed van een spaarrekening

eigen woning. Het voordeel uit beleggingsrecht eigen woning is

het rendement dat op het tijdstip van deblokkering is begrepen in de

waarde van een beleggingsrecht eigen woning.

2. Van een spaarrekening eigen woning is sprake indien het betreft een

rekening bij een kredietinstelling waarbij de volgende voorwaarden in

acht worden genomen:

a. de rekeninghouder heeft een eigen woning met een eigenwoningschuld;

b. de rekening is geblokkeerd en wordt slechts eenmalig gedeblokkeerd

ter aflossing van de eigenwoningschuld;

c. ten minste 15 jaar, of tot het overlijden van de rekeninghouder, zijn

echtgenoot of degene met wie hij duurzaam een gezamenlijke huishouding

voert, wordt jaarlijks een bedrag naar de rekening overgemaakt

waarbij het hoogste totaal van in een jaar overgemaakte bedragen niet

meer bedraagt dan het tienvoud van het laagste totaal van in een jaar

overgemaakte bedragen; ingeval een spaarrekening met ingang van enig

tijdstip wordt aangeduid als spaarrekening eigen woning wordt het op dat

tijdstip aanwezige tegoed aangemerkt als eerste overmaking;

d. de op de rekening genoten inkomsten worden bijgeboekt op de

rekening; bij deblokkering in de loop van het tijdvak waarover inkomsten

worden genoten, vindt eerst nog bijboeking van die inkomsten plaats

voordat tot deblokkering wordt overgegaan;

e. de kredietinstelling is een financiële onderneming die ingevolge de

Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van bank mag

uitoefenen.

3. Van een beleggingsrecht eigen woning is sprake indien het betreft bij

een beheerder van een beleggingsinstelling aangehouden rechten van

deelneming in die instelling waarbij de volgende voorwaarden in acht

worden genomen:

a. de eigenaar van het beleggingsrecht heeft een eigen woning met een

eigenwoningschuld;

b. het beleggingsrecht is geblokkeerd en wordt slechts eenmalig

gedeblokkeerd ter aflossing van de eigenwoningschuld;

c. ten minste 15 jaar, of tot het overlijden van de eigenaar van het

beleggingsrecht, zijn echtgenoot of degene met wie hij duurzaam een

gezamenlijke huishouding voert, wordt jaarlijks naar de beheerder een

bedrag overgemaakt ter verkrijging van rechten van deelneming waarbij

het hoogste totaal van in een jaar overgemaakte bedragen niet meer

bedraagt dan het tienvoud van het laagste totaal van in een jaar

overgemaakte bedragen; ingeval een beleggingsrecht met ingang van

enig tijdstip wordt aangeduid als beleggingsrecht eigen woning wordt de

waarde in het economische verkeer van het recht op dat tijdstip aangemerkt

als eerste overmaking;

d. het met het beleggingsrecht behaalde rendement wordt aangewend

Eerste Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 30 432, A 2

ter verkrijging van rechten van deelneming die tot het beleggingsrecht

gaan behoren;

e. de beheerder is een financiële onderneming die ingevolge de Wet op

het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van beleggingsinstelling

mag uitoefenen.

4. Een spaarrekening eigen woning of een beleggingsrecht eigen

woning wordt geacht geheel te zijn gedeblokkeerd indien:

a. op enig tijdstip de spaarrekening onderscheidenlijk het beleggingsrecht

niet meer voldoet aan de voorwaarden van het tweede lid, onderscheidenlijk

van het derde lid;

b. de spaarrekening onderscheidenlijk het beleggingsrecht wordt

vervreemd of verdeeld, behoudens voor zover sprake is van vervreemding

of verdeling in het kader van het aangaan of beëindigen van een huwelijk

of van een duurzame gezamenlijke huishouding en de spaarrekening

onderscheidenlijk het beleggingsrecht wordt gecontinueerd als een

spaarrekening eigen woning onderscheidenlijk beleggingsrecht eigen

woning;

c. de spaarrekening onderscheidenlijk het beleggingsrecht wordt

ingebracht in het vermogen van een onderneming;

d. de spaarrekening onderscheidenlijk het beleggingsrecht gedeeltelijk

wordt gedeblokkeerd;

e. 30 jaren zijn verstreken na de eerste overmaking op de spaarrekening

onderscheidenlijk de eerste overmaking naar de beheerder van de

beleggingsinstelling;

f. de rekeninghouder van de spaarrekening onderscheidenlijk de

eigenaar van het beleggingsrecht komt te overlijden; in dat geval wordt de

deblokkering geacht te hebben plaatsgevonden op het onmiddellijk

daaraan voorafgaande tijdstip; er wordt geen deblokkering verondersteld

bij een continuering als bedoeld in onderdeel b.

5. Artikel 3.116, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Daarbij wordt gelezen voor:

a. verzekeringnemer: rekeninghouder van een spaarrekening eigen

woning, onderscheidenlijk eigenaar van een beleggingsrecht eigen

woning;

b. kapitaalverzekering eigen woning: spaarrekening eigen woning

onderscheidenlijk beleggingsrecht eigen woning;

c. tot uitkering te zijn gekomen: te zijn gedeblokkeerd.

6. Het rendement begrepen in een tegoed van een spaarrekening eigen

woning wordt gesteld op het bedrag waarmee het tegoed de naar de

spaarrekening overgemaakte bedragen overtreft. Het rendement

begrepen in de waarde van een beleggingsrecht eigen woning wordt

gesteld op het bedrag waarmee de waarde van het recht de naar de

beheerder overgemaakte bedragen overtreft.

7. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor

de toepassing van dit artikel.

Ac.
Artikel 3.118, derde lid, wordt vervangen door:

3. De bedragen bepaald op grond van het eerste lid worden verminderd

met het bedrag aan uitkering uit een kapitaalverzekering dat eerder ten

aanzien van de belastingplichtige voor de toepassing van het eerste lid in

aanmerking is genomen, alsmede met het tegoed van een spaarrekening

eigen woning dat eerder ten aanzien van de belastingplichtige voor de

toepassing van de vrijstelling van artikel 3.118a in aanmerking is genomen

en met de waarde van een beleggingsrecht eigen woning dat eerder

ten aanzien van de belastingplichtige voor de toepassing van de

vrijstelling van genoemd artikel in aanmerking is genomen.

Ad. Na
artikel 3.118 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Eerste Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 30 432, A 3

Artikel 3.118a Vrijstelling spaarrekening eigen woning en

vrijstelling beleggingsrecht eigen woning

Met betrekking tot het voordeel uit spaarrekening eigen woning

onderscheidenlijk het voordeel uit beleggingsrecht eigen woning geldt

een vrijstelling waarvan de omvang wordt berekend met overeenkomstige

toepassing van artikel 3.118, met dien verstande dat het zevende en

achtste lid van dat artikel slechts toepassing vinden bij een continuering

als bedoeld in artikel 3.116a, vierde lid, onderdeel f. Daarbij is artikel

3.116a, vijfde lid, tweede volzin, van toepassing en wordt voorts voor

premies gelezen: naar een spaarrekening eigen woning overgemaakte

bedragen onderscheidenlijk naar een beheerder van een beleggingsrecht

overgemaakte bedragen.

Ae. Artikel 3.119 wordt vervangen door:

Artikel 3.119 Omzetting kapitaalverzekering eigen woning,

spaarrekening eigen woning of beleggingsrecht eigen woning

1. Voor zover een kapitaalverzekering eigen woning, een spaarrekening

eigen woning of een beleggingsrecht eigen woning wordt omgezet in een

andere soortgelijke verzekering, een andere soortgelijke spaarrekening of

een ander soortgelijk beleggingsrecht, wordt de laatstgenoemde verzekering,

de laatstgenoemde spaarrekening of het laatstgenoemde beleggingsrecht

voor de toepassing van deze afdeling geacht een voortzetting

te zijn van de eerstgenoemde verzekering, de eerstgenoemde spaarrekening

of het eerstgenoemde beleggingsrecht.

2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor

de toepassing van dit artikel.

Af.
Artikel 3.122 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanduiding van het artikel wordt «vrijstelling kapitaalverzekering

eigen woning» vervangen door: vrijstelling kapitaalverzekering,

spaarrekening of beleggingsrecht eigen woning.

2. Na het derde lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

4. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing bij een spaarrekening

eigen woning en een beleggingsrecht eigen woning. Ter zake kunnen bij

ministeriële regeling nadere regels worden gesteld.

B.
Artikel 3.124 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de bestaande tekst wordt «lijfrenten» telkens vervangen door:

lijfrenten als bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a,.

2. Onder aanduiding van de bestaande tekst als eerste lid wordt een lid

toegevoegd, luidende:

2. Waar in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt

verwezen naar een lijfrente als bedoeld in artikel 3.124 wordt daaronder

tevens verstaan een tegoed van een lijfrentespaarrekening als bedoeld in

artikel 3.126a of de waarde van een lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in

artikel 3.126a.

C. In
artikel 3.125, eerste lid, wordt «lijfrenten» telkens vervangen

door «lijfrenten als bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a,». Deze

vervanging vindt niet plaats in onderdeel c in de zinsnede «termijnen van

die lijfrenten».

Eerste Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 30 432, A 4

D. In
artikel 3.126, eerste lid, aanhef, wordt «lijfrenten» vervangen

door: lijfrenten als bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a,.

E. Na artikel 3.126 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.126a. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen via een

lijfrentespaarrekening of een lijfrentebeleggingsrecht

1. Met premies voor lijfrenten als bedoeld in artikel 1.7, eerste lid,

onderdeel a, die dienen ter compensatie van een pensioentekort als

bedoeld in artikel 3.124, eerste lid, onderdeel a, worden gelijkgesteld de

bedragen die door de belastingplichtige zijn overgemaakt naar een door

hem bij een kredietinstelling als omschreven in het tweede lid aangehouden

geblokkeerde rekening (lijfrentespaarrekening) of die door hem

zijn overgemaakt naar een beheerder van een beleggingsinstelling als

omschreven in dat lid, ter verkrijging van een of meer geblokkeerde

rechten van deelneming in die instelling (lijfrentebeleggingsrecht),

waarbij:

a. de met de overgemaakte bedragen behaalde rendementen worden

bijgeboekt op de lijfrentespaarrekening, onderscheidenlijk worden

aangewend ter verkrijging van lijfrentebeleggingsrechten, en

b. het tegoed van de lijfrentespaarrekening, onderscheidenlijk de

waarde van het lijfrentebeleggingsrecht, uitsluitend kan worden

aangewend ter verkrijging van een lijfrente als bedoeld in artikel 3.125,

dan wel overeenkomstig de in het vierde tot en met zevende lid

opgenomen voorwaarden uitsluitend kan worden uitgekeerd in termijnen.

Met betrekking tot deze overgemaakte bedragen is artikel 3.126 niet van

toepassing.

2. Een kredietinstelling of beheerder als bedoeld in het eerste lid is:

a. een financiële onderneming die ingevolge de Wet op het financieel

toezicht in Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen, mits deze

onderneming de verplichting ingevolge de lijfrentespaarrekening voor de

heffing van de vennootschapsbelasting rekent tot het binnenlandse

ondernemingsvermogen;

b. een financiële onderneming die ingevolge de Wet op het financieel

toezicht in Nederland het bedrijf van beleggingsinstelling mag uitoefenen,

en die is gevestigd in Nederland;

c. een onderneming of instelling die bevoegd als kredietinstelling of als

beheerder van een beleggingsinstelling optreedt, anders dan bedoeld in

onderdeel a onderscheidenlijk onderdeel b, die door Onze Minister, onder

door hem te stellen voorwaarden, is aangewezen en die zich tegenover

Onze Minister heeft verplicht:

1°. te voldoen aan voorwaarden met betrekking tot het verschaffen van

inlichtingen over de uitvoering van de regeling, en

2°. zekerheid te stellen voor de invordering van de belasting die is

verschuldigd door de toepassing van de artikelen 3.133 en 3.136, dan wel

de belastingplichtige zich heeft verplicht deze zekerheid te stellen.

3. De rekeninghouder van een lijfrentespaarrekening en de houder van

een lijfrentebeleggingsrecht worden hierna aangeduid als verzekeringnemer

en ook overigens gelijkgesteld met verzekeringnemer.

4. Voor zover het tegoed van de lijfrentespaarrekening, onderscheidenlijk

de waarde van het lijfrentebeleggingsrecht niet is aangewend ter

verkrijging van een lijfrente als bedoeld in artikel 3.125, dient het tegoed

van de rekening, onderscheidenlijk de waarde van het recht in vaste en

gelijkmatige termijnen met een gelijke tussenperiode van ten hoogste een

jaar te worden uitgekeerd. Voorts geldt daarbij:

a. bij in leven zijn van de verzekeringnemer:

1°. dat de termijnen aan hem worden uitgekeerd en de eerste termijn

wordt uitgekeerd uiterlijk in het kalenderjaar waarin hij de leeftijd van 70

bereikt;

Eerste Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 30 432, A 5

2°. dat, ingeval de eerste termijn wordt uitgekeerd vóór het kalenderjaar

waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt, de periode tussen de eerste

termijn en de laatste termijn ten minste 20 jaar bedraagt, vermeerderd

met het aantal jaren dat de verzekeringnemer jonger is dan 65 jaar ten

tijde van het uitkeren van de eerste termijn;

3°. dat, ingeval de eerste termijn wordt uitgekeerd na het kalenderjaar

waarin hij de leeftijd van 64 jaar heeft bereikt, de periode tussen de eerste

termijn en de laatste termijn ten minste 5 jaar bedraagt indien het

gezamenlijke bedrag aan termijnen in een kalenderjaar niet meer beloopt

dan
19 161, en ten minste 20 jaar bedraagt indien het gezamenlijke

bedrag aan termijnen in een kalenderjaar meer beloopt dan dat bedrag;

4°. dat, ingeval de uitkering van de eerste termijn plaatsvindt binnen

zes maanden na het overlijden van de partner of gewezen partner van de

verzekeringnemer, in afwijking van het onder 2° en 3° bepaalde, de

periode tussen de eerste termijn en de laatste termijn ten minste 5 jaar

bedraagt;

b. bij overlijden van de verzekeringnemer terwijl ingevolge onderdeel a

nog geen termijnen zijn ingegaan:

1°. dat de termijnen direct ingaan en worden uitgekeerd aan een

natuurlijk persoon;

2°. dat, ingeval de termijnen toekomen aan een bloed- of aanverwant,

niet zijnde de partner of gewezen partner, in de rechte lijn of in de tweede

of derde graad van de zijlijn die ouder is dan 30 jaar, de periode tussen de

eerste termijn en de laatste termijn ten minste 20 jaar bedraagt;

3°. dat, ingeval de termijnen toekomen aan een bloed- of aanverwant,

niet zijnde de partner of gewezen partner, in de rechte lijn of in de tweede

of derde graad van de zijlijn die jonger is dan 30 jaar, de periode tussen de

eerste termijn en de laatste termijn hetzij ten minste 5 jaar bedraagt doch

nimmer meer dan het aantal jaren dat deze bloed- of aanverwant jonger is

dan 30 jaar ten tijde van het uitkeren van de eerste termijn, hetzij ten

minste 20 jaar bedraagt;

4°. dat, ingeval de termijnen toekomen aan een ander persoon dan

bedoeld onder 2° en 3°, de periode tussen de eerste termijn en de laatste

termijn ten minste 5 jaar bedraagt.

5. In afwijking van het eerste lid mag het tegoed van de lijfrentespaarrekening,

onderscheidenlijk de waarde van het lijfrentebeleggingsrecht in

één termijn worden uitgekeerd, indien het bedrag van de met toepassing

van het vierde lid op jaarbasis ten hoogste uit te keren termijn lager is dan

het bedrag, bedoeld in artikel 66 van de Pensioenwet.

6. Indien ingevolge het vierde lid, onderdeel a of b, termijnen zijn

ingegaan en de genieter van de termijnen voor uitkering van de laatste

termijn overlijdt, gaat het recht op de nog niet uitgekeerde termijnen over

op zijn erfgenamen.

7. Artikel 1.7, derde lid, is van overeenkomstige toepassing met betrekking

tot de termijnen, bedoeld in het vierde lid en zesde lid.

8. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen

en van de Wet op de loonbelasting 1964 en de daarop berustende

bepalingen worden de termijnen, bedoeld in het vierde lid, vijfde lid en

zesde lid, gelijkgesteld met periodieke uitkeringen en verstrekkingen.

9. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met

betrekking tot de in het tweede lid, onderdeel c, bedoelde aanwijzing.

10. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor

de toepassing van dit artikel.

F.
Artikel 3.127 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «artikel 3.124, onderdeel a» vervangen door:

artikel 3.124, eerste lid, onderdeel a.

Eerste Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 30 432, A 6

2. Het in het derde lid, tweede volzin, opgenomen bedrag wordt

verlaagd met
47 700.G. In de artikelen 3.128 en 3.129 wordt «artikel 3.124, onderdeel a»

vervangen door: artikel 3.124, eerste lid, onderdeel a.

H. In
artikel 3.131 wordt «artikel 3.124, onderdeel a, en artikel 3.125,

eerste lid» vervangen door: artikel 3.124, eerste lid, onderdeel a, artikel

3.125, eerste lid, en artikel 3.126a, eerste lid.

I.
Artikel 3.133 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, onderdeel a, wordt «artikel 3.124, onderdeel b of

onderdeel c» vervangen door: artikel 3.124, eerste lid, onderdeel b of

onderdeel c.

2. Aan het artikel wordt een lid toegevoegd, luidende:

7. Met betrekking tot een inkomensvoorziening via een lijfrentespaarrekening

of lijfrentebeleggingsrecht worden onder de in het tweede lid

genoemde omstandigheden mede begrepen omstandigheden die

overeenkomen met de in het tweede lid omschreven omstandigheden.

J. In
artikel 3.136, eerste lid, wordt «artikel 3.124, onderdelen a, b en

c» vervangen door «artikel 3.124, eerste lid, onderdelen a, b en c». Voorts

wordt »artikel 3.124, onderdeel c» vervangen door: artikel 3.124, eerste lid,

onderdeel c.

Ja.
Artikel 3.146 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «voordelen uit kapitaalverzekering eigen

woning» vervangen door: voordelen uit kapitaalverzekeringen eigen

woning, voordelen uit spaarrekening eigen woning, voordelen uit

beleggingsrecht eigen woning.

2. Onder vernummering van het vijfde lid tot zesde lid wordt na het

vierde lid een lid ingevoegd, luidende:

5. Ingeval artikel 3.116a, vierde of vijfde lid, toepassing vindt, is het

tijdstip waarop geacht wordt deblokkering te hebben plaatsgevonden het

tijdstip van genieten van het voordeel uit spaarrekening eigen woning of

beleggingsrecht eigen woning.

K. In
artikel 6.5 en artikel 6.6. wordt «artikel 3.124, onderdeel a»

vervangen door: artikel 3.124, eerste lid, onderdeel a.

L. In
artikel 9.2 wordt, onder vernummering van het vijfde tot en met

tiende lid tot zesde tot en met elfde lid, na het vierde lid een lid

ingevoegd, luidende:

5. In afwijking van het eerste lid wordt dividendbelasting niet als

voorheffing in aanmerking genomen indien de dividendbelasting is

ingehouden op de opbrengst die deel uitmaakt van een spaarrekening

eigen woning als bedoeld in artikel 3.116a, een beleggingsrecht eigen

woning als bedoeld in artikel 3.116a, een lijfrentespaarrekening als

bedoeld in artikel 3.126a of een lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in

artikel 3.126a.

M. In
artikel 9.3, tweede lid, onderdeel k, wordt «artikel 9.2, achtste

lid» vervangen door: artikel 9.2, negende lid.

N. In
artikel 10.1 wordt «3.87, 3.125, 3.127» vervangen door: 3.87,

3.125, 3.126a, 3.127.

Eerste Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 30 432, A 7

ARTIKEL II

De Invorderingswet 1990 wordt als volgt gewijzigd:

A.
Artikel 25, zesde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de eerste volzin wordt «artikel 3.116, vierde lid» vervangen door:

artikel 3.116, vierde lid, of artikel 3.116a, vijfde lid.

2. In onderdeel b wordt «artikel 3.116, eerste lid» vervangen door:

artikel 3.116, eerste lid, of artikel 3.116a, eerste lid.

3. In onderdeel c wordt «artikel 3.116, derde lid» vervangen door: artikel

3.116, derde lid, of artikel 3.116a, vierde lid.

B. Aan
artikel 44a wordt een lid toegevoegd, luidende:

6. Indien met betrekking tot een lijfrentespaarrekening of lijfrentebeleggingsrecht

als bedoeld in artikel 3.126a van de Wet inkomstenbelasting

2001 negatieve uitgaven voor inkomensvoorziening in aanmerking

worden genomen, is dit artikel van overeenkomstige toepassing met

betrekking tot de kredietinstelling waarbij de lijfrentespaarrekening wordt

aangehouden, onderscheidenlijk de beheerder van het lijfrentebeleggingsrecht.

C.
Artikel 44c wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het eerste lid wordt een volzin toegevoegd, luidende:

Indien ingevolge artikel 3.116a, vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting

2001 een spaarrekening eigen woning of een beleggingsrecht

eigen woning geacht wordt te zijn gedeblokkeerd, is de kredietinstelling

waarbij die rekening wordt aangehouden onderscheidenlijk de beheerder

waarbij dat recht wordt aangehouden aansprakelijk voor de belasting die

ter zake door de rekeninghouder onderscheidenlijk eigenaar is verschuldigd.

2. Het tweede lid wordt vervangen door:

2. Het bedrag van de verschuldigde belasting wordt gesteld op het

evenredig gedeelte van de belasting die meer is verschuldigd ter zake van

alle kapitaalverzekeringen eigen woning, alle spaarrekeningen eigen

woning en alle beleggingsrechten eigen woning die in het jaar ingevolge

artikel 3.116, vierde lid, onderscheidenlijk artikel 3.116a, vijfde lid, van de

Wet inkomstenbelasting 2001 worden geacht tot uitkering te zijn gekomen

of worden geacht te zijn gedeblokkeerd.

3. In het vierde lid wordt «de verzekeraar» vervangen door: de

verzekeraar, de kredietinstelling of de beheerder van de beleggingsinstelling.

ARTIKEL III

In de Successiewet 1956 wordt artikel 32, vijfde lid, vervangen door:

5. Onder lijfrenten worden verstaan lijfrenten als bedoeld in artikel

3.125 van de Wet inkomstenbelasting 2001, welke zijn verzekerd bij een

verzekeraar als bedoeld in artikel 3.126 van die wet, alsmede aanspraken

op tegoeden van lijfrentespaarrekeningen of waarden van lijfrentebeleggingsrechten

als bedoeld in artikel 3.126a van die wet, voorzover de

terzake voldane premies respectievelijk de overgemaakte bedragen voor

de heffing van de inkomstenbelasting als uitgaven voor inkomensvoorzieningen

in aftrek konden worden gebracht.

Eerste Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 30 432, A 8

ARTIKEL IV

In de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt aan artikel 25 een

lid toegevoegd, luidende:

5. De dividendbelasting die op grond van artikel 9.2, vijfde lid, van de

Wet inkomstenbelasting 2001 niet als voorheffing in aanmerking wordt

genomen, wordt als voorheffing aangewezen:

a. van de kredietinstelling, bedoeld in artikel 3.116a onderscheidenlijk in

artikel 3.126a van de Wet inkomstenbelasting 2001, indien die instelling

een bedrag ter grootte van die dividendbelasting overmaakt naar de

spaarrekening eigen woning, onderscheidenlijk naar de lijfrentespaarrekening

van degene bij wie de dividendbelasting niet als voorheffing in

aanmerking wordt genomen;

b. van de beheerder van de beleggingsinstelling, bedoeld in artikel

3.116a onderscheidenlijk in artikel 3.126a van de Wet inkomstenbelasting

2001, indien die beheerder een bedrag ter grootte van die dividendbelasting

aanwendt ter verkrijging van een of meer geblokkeerde rechten

van deelneming in die instelling ten behoeve van degene bij wie de

dividendbelasting niet als voorheffing in aanmerking wordt genomen.

ARTIKEL V

In de Wet op de dividendbelasting 1965 wordt in artikel 4, zesde lid,

«als bedoeld in artikel 19g, derde lid, van de Wet op de loonbelasting

1964» vervangen door: als bedoeld in artikel 19g, derde lid, van de Wet op

de loonbelasting 1964 of als bedoeld in artikel 3.126a van de Wet inkomstenbelasting

2001.

Artikel VA

In artikel 23 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970 wordt

«7 percent» vervangen door: 7,5 percent.

ARTIKEL VI

In artikel 475c, onderdeel d, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

wordt na «lijfrente,» toegevoegd: waaronder mede worden

verstaan uitkeringen ten laste van een lijfrentespaarrekening of ten laste

van de waarde van een lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in artikel

3.126a, vierde en zesde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001,.

ARTIKEL VIA

Artikel 4:25 van de Wet op het financieel toezicht wordt als volgt

gewijzigd:

Aan het eerste lid wordt een volzin toegevoegd, luidende: Onder nadere

regels met betrekking tot de in acht te nemen zorgvuldigheid worden

mede verstaan regels met betrekking tot de kosten die de financiële

onderneming in rekening brengt indien de deelnemer, consument of cliënt

een overeenkomst inzake een financiële dienst of een financieel product

beëindigt en een overeenkomst met betrekking tot die financiële dienst

onderscheidenlijk dat financieel product aangaat met een andere

financiële onderneming.

Eerste Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 30 432, A 9

Artikel VIB

Onze Minister van Financiën zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding

van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de

doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

ARTIKEL VII

Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2008.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en

dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks

aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Staatssecretaris van Financiën,

Eerste Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 30 432, A 10

 

Copyright © 2007-2010   Over banksparenkeuze.nl - Voorwaarden - Privacy  - Begrippenlijst - RSS-Feed  - Twitter  - Sitemap